Juli 2026

Een eerbetoon in tien gedichten aan zij die vermist raakten tijdens de Watersnoodramp van 1953. Geschreven door dichters van Eenzame Uitvaart Zeeland ter gelegenheid van literair festival ‘Dichter bij water’. Watersnoodmuseum, Ouwerkerk, 11 juli 2026

Dichters van dienst: Aschwin van den Abeele, Vos Broekema, Aukje-Tjitske Dieleman, Willem de Geus, Ingeborg Haalboom, Dianne Hoogstrate, Peter Knipmeijer, Eric van Laere, Hanneke Middelburg, Ingo de Moor.

1/10

die eerste stilte zwaar als slaap over de schorren en de schelde die openscheurt die niet wacht niet kalm blijft maar woest inhaalt kolkt voorbijraast vloeibaar volume zonder beul of moraal louter een brute spier van zout die de geulen opeist de klei annexeert met een mistige dwingende architectuur van blinde muren en jij daar op de uiterste kruin van de dijk tussen paal en stug helmgras een splinter zonder naam zonder paspoort een ademsmalle hapering in het raderwerk roepend tegen de grijze stroom waar meeuwen als schokkende schimmen rauw verscheurd worden door de storm en alles is als ijs en gewetenloze arbeid de delta de jouw wezen niet waarneemt totdat de regen loodrecht muren van isolement trekt en de wereld krimpt tot een minuscuul stipje paniek onder een loden hemel die zichzelf handhaaft opgesloten in een dicht harnas maar dan kantelt het kader hoor je je adem die versmelt met de ritmische hartslag van de wind voel je de druppels die jouw gezicht haarscherp afdrukken in de aarde en je weet dat je wel degelijk bent gezien de elementen die niet wijken maar zich warm om je heen sluiten breekbaarheid genoteerd aanwezigheid onuitwisbaar geregistreerd in het grote diepe geheugen van deze duivelse dag anoniem de troost om voor altijd gedragen te worden tot de tijd haar plooien weer gladstrijkt het getij keert de wolken sluiten en het slik glanst als een onbeschreven blad terwijl de golven monotoon over basalt rollen alsof de geschiedenis blanco is alsof er nooit een menselijk oog heeft gekeken en de stilte erna verschilt niet van de stilte ervoor maar verschilt tot op de dag van vandaag in alles

Aschwin van den Abeele

2/10

Ik schrijf je vanaf een hoog en droog
Kun je onder water klokken horen luiden?
Ben je een rif een ziel in een amfora
onrustig rijpend tot een eindelijke tijd
je bepaalt 
je toch voor iemands voeten smijt?

Ik schrijf je want er is een prachtig
één stuks knap aaneengesloten ongeluk.
Soms denken we in meetbare eenheden 
Soms is het beter van niet

Alles gebeurt zo veel
vier vallende sterren
binnen twee minuten
ik durf niet meer naar beneden
te kijken om te zien hoe diep
ik gevallen raak

Ik spreek heel veel de waarheid,
toch, mijn godsbeeld mist een klinker –
na al die jaren de kleur wat sleets
Ik stel me zo voor dat je
onder water verder leeft

De wind ruimt naar het noorden
ik huil mul zand en alles bestaat al
blijkt al zo lang te bestaan

Er staat een paar laarzen bij de deur
Ze zijn gevuld met klei gedroogd daarna 
waarna afgepelde restruimte resteert, 
een rechtop overeind staande lullige hulzigheid
staart me aan, leegte gevulde gulzigheid

Ik schrijf je weer terug
Ik schrijf je voor een … ;
Ik schrijf je terug in het alles.
Alles in het niets.

Beheptheid zegt het woord je iets
Mij een hoop verdriet. Verder niets.

Vos Broekema

3/10

Hoop

Ik hoopte dat je schip bestand was 
tegen het sleur-kolk-beukende water
de weg-dak-rukkracht van de wind

dat je schip een bal was, de zee een kind
dat zich snel verveelde en je los zou laten

Ik hoopte dat we samen zouden praten
over geschreeuw in afgrijskoude golven
hoe verschrikkelijk al die jonggestorvenen
en hoe doodsbang we ieder waren

over het gebulder, de lange wacht
de stukgedrukte muren, verstormde daken
het stampen van je schip, hoe losgeslagen
en hoe jij en ik geluk hadden gehad

Ik hoopte dat het zo zou gaan

je reddingssloep spoelde 
kapotverslagen aan

Aukje-Tjitske

4/10

In het Water opgegaan
Een moeder vertelt na vijftig jaar hoe haar man en kind verdwenen 

Alles kolkte, alles was koud
je huis is dan je huis niet meer
we probeerden nog iets mee 
te pakken, van de kapstok
je weet niet wat je doet, 
je weet niet. Weg, dat weet je

“Die boom daar!” riep je
met ons meisje in je sterke arm
stroom dreef ons tegen takken los
ik zie nog je arm, je hand 
die naar haar pakt maar mist, en 
hoe je haar dan achterna duikt
en ook nog omkijkt: ‘Tot zo, blijf hier’
hoe jullie verdwijnen.

Die film is in de jaren 
met mijn leven heel stil 
meegegroeid en nu, nu jij 
drieëntachtig en ons meisje
van toen twee tweeënvijftig zou zijn,
nu lees ik in je blik van die nacht:
‘Tot straks, we zijn er zo’. 

Willem de Geus

5/10

Vertel me over je verdrietige ogen 
tijden terug

Er is geen plek meer 
waar iemand je hand vasthoudt
vraagt

wat blijft als we hier niet meer zijn
waar we staan tot het sterven

onder een onmogelijk gemis
liggen diep verdronken tranen

de meeste momenten mis je het meest
over vloed zal je nooit meer spreken

wat in de verste momenten ligt
ebt weg in een lumineus verlaten

je stemt de stilte
kijkt terug op al het water
hoe je dromen verdwenen in de golven

hoe al het geluid opging 
in een stille zee

Ingeborg Haalboom

6/10

Breekgrens

woedend zijn de longen van de schepping
uitgetrokken tot windkracht 12
buiten schuurt de storm de wereld kaal
binnen staat de slaapster slapend op
voeten koud op het zeil
bewegend in haar droomwereld 
waar haar lief haar omsluit
en water gehoorzaam
achter dijken blijft

ze loopt met open ogen, maar blind
de gang is een rivierbedding geworden
zwart water stijgt sneller dan de droom
haar kan loslaten
daar is de vloedgolf—
een gewelddadig rollen
tilt haar op, tilt haar bed op
tilt haar adem uit haar keel
ze waadt door het huis van haar vader
waar storm jankt in de schoorsteen 

dan wordt buiten binnen
een groteske vis, een drijvend paard
geen grond meer.
zwaartekracht draait om
ze zinkt in vloeibare tijd

longen smeken om lucht
moeten zich overgeven aan wat is
haar mond opent—
niet om te schreeuwen,
maar voor het zoute water
wanneer droom en doodsslok
één worden

Dianne Hoogstrate

7/10

IK HEB EEN LITURGIE 

Foto’s, verhalen, 
al dan niet berijmde psalmen
voor of over mannen die niet talmden
om te vechten met de zee

plichtsgetrouw geen moment verzakend
springtij kennend als geen ander
hun lot aanvaardend 
toen hun schepen water maakten 

je vraagt je af waar-
aan de kerels, 
knapen, 
dachten

je kan zeggen dat alles ijdelheid is
en het najagen van wind

of bedenken dat dit is wat blijft: 
geloof, hoop en liefde, 
deze drie, 
de grootste daarvan is liefde.

Peter Knipmeijer

8/10

het was in de tijd
dat er geen tijd meer was
geen minuut geen moment
van respijt meer was
niet na die winternacht
einde der tijd

het was in het land
waar er geen land meer was
niets maar dan ook niets
meer voorhanden was
die februari dag
in niemandsland

het was in de zee
die nu geen zee meer was
maar meesteres
over tijd over land en
verdronken mensen was
de wrede zee

huil dan met mij
als jij daar in die tijd
en daar in dat land
voorgoed verdwenen bent
niemand jouw naam nog kent
alleen de zee

de zee

Eric van Laere

9/10

Gevonden

linker leren schoen met verweerde veter
bedekt door wier, verzonken in zand
een zwarte wollen muts met rafeldraadjes

oliejas zonder jou

de mouwen golven, alsof je er nog in zit 
wil ik je jas aan de kapstok hangen
zeggen: fijn dat je weer thuis bent 

je zou door de gang banjeren
halfzware shag uit je zak vissen 
mijn handen pakken en diep zuchten

de zee nog in je adem

ik laat nacht na nacht het ganglicht branden
hoor in elk verdwaald geluid jouw thuiskomst 
alsof de zee zich kan vergissen

Hanneke Middelburg

10/10

Schors van herinnering

Ik weet nog goed
Hoe het eraan toeging.
Je zou denken daar zijn
Geen woorden voor.
Maar toch, na jaren
Groeien herinneringen
Tot een verhaal.

Als boom op een dijk
Sta je zogezegd boven de wereld.
Je ziet en voelt
Hoe het leven zich afspeelt.
Je bent kroongetuige.

En ja, ik overleefde
De storm in mijn kruin,
De vloed aan mijn wortels.

En ja, ik kon voor enkelen
Beschutting en houvast bieden,
Hun levens redden,
Maar niet van iedereen.

Ik zag hoe zij verdwenen
In een kolkende razernij
Van wind en water.

Ik stond erbij en sta er nu
Nog steeds stil bij. Doodstil,
Hier in deze Zeeuwse polder.

Ingo de Moor

U kunt de kleine publicatie die bij het literair festival  ‘Dichter bij water’ verscheen ook downloaden


April 2026

De heer F. werd geboren op 12 juli 1945 in Amsterdam. Ergens in zijn leven verhuisde hij naar Biervliet in Zeeuws Vlaanderen. Eenmaal ziek werd hij opgenomen in het Gasthuis in Middelburg, dat hij graag af en toe ontvluchtte om even naar huis te gaan. In het verpleeghuis stond hij bekend als een eenzelvige man, die van eten kon genieten en ervoor koos de voorgeschreven hartmedicatie niet te gebruiken. Hij stierf op 25 maart 2026. 

Elegie voor mijnheer F. 

je naam roept beelden op van  
stevige handdrukken en blikken,  
van woordeloze verbondenheid,  
vrienden
hier heerst echter stilte,  
wellicht zweefde jouw hand  
uitgestoken tussen die van velen,  
in het luchtledige,  
tot je die hand moe en zwaar  
weer bij je voegde,  
je tranen ermee wegveegde
het zacht op je hart legde,  
en datzelfde hart toestemming gaf  
om op te geven.  
niet nog een lente,  
genade! 
geen nieuw geluid meer.  

vandaag ben ik de rouwvrouw,  
gekomen om stil te staan  
bij jouw vertrek,  
je zacht vaarwel te fluisteren,  
namens –

Dichter van dienst: Dianne Hoogstrate

U kunt de kleine publicatie die bij het literair festival  ‘Dichter bij water’ verscheen ook downloaden


Januari 2026

P.F. kwam uit een groot gezin, met zeven broers en zussen. Het laatste contact met zijn familie was al zeker 15 jaar geleden.
Via-via weten we dat P. van de muziek van The Rolling Stones hield en ook van die van Bob Marley. In zijn huis hing ook een poster van Bob Marley, en bij de uitvaartbijeenkomst is er dan ook muziek gespeeld van deze artiesten.
De medewerker van de Gemeente die belast was met de afwikkeling rondom de uitvaart, mocht na P.’s overlijden de woning bezoeken en tekende daarbij verder op:
‘In de woning hingen wat briefjes, waaruit bleek dat hij inderdaad een eenzaam leven leidde. De interesse die mensen in hem toonden was volgens hem te laat en hoefde daarom voor hem niet meer.’
Het zijn summiere aantekeningen waarin hij zijn beklag doet, en twee keer komen we na zulke eenvoudig benoemde misstanden de conclusie “Ik zal maar zwijgen” tegen.
De Gemeenteambtenaar noteert verder: ‘De woning was vervuild en de bovenverdieping was niet ingericht. Kennelijk woonde F. alleen nog beneden, in de keuken en de woonkamer, waar ook het bed stond.
Een tijd geleden, hoorden we, ging P. nog wel eens fietsen in de polders rond Kloosterzande. Het lijkt erop dat hij dit altijd alleen deed, en ook weinig of geen behoefte had aan verder contact.

F. had al geruime tijd (jaren) veel pijn door fibromyalgie, en sinds 2024 was er ook mond- en keelkanker bij hem geconstateerd, waarvan de behandeling niet heel soepel verliep. Zo lezen we op een van de – door de Gemeente gefotografeerde – briefjes: “Juni door de Honte doorverwezen naar U.Z. !! NIET Gedaan !!! Juiste KEUZE.”

Donderdagavond 8 januari jl. stelde de HAP bij een huisbezoek vast dat zijn toestand dermate slecht was dat besloten werd om F. de volgende dag op te nemen in een hospice.
Daar is het niet meer van gekomen, want de volgende dag bleek P. F. al te zijn overleden, in zijn bed, op 63-jarige leeftijd.

Bij de uitvaart van P. F.
Geboren op 8 april 1962 te Ossenisse
Overleden in zijn woonplaats Kloosterzande, op 9 januari 2026
De korte plechtigheid voorafgaand aan de crematie vond plaats op maandag 19 januari 2026 in Crematorium Monuta te Terneuzen

Stilletjes worden gemist

Is het waar dat je in je laatste momenten je leven
in duizenden beelden voorbij ziet komen
en zag je jezelf weer als kind, soms blij soms boos
zoals kinderen zijn. En zag je de pijn in je ogen,
zag je je dansen op de luie cadans van Bob Marley.
Zag je de ontelbare keren toen je alles nog aankon,
en ook hoe eerst ziekte en toen de omgeving je sloeg,
hoorde je weer hoe je luid om bezorgdheid vroeg,
die niet kwam, ja, te laat, toen je al geen grip meer had,
toen je al niet meer boven kwam, en ook steeds minder buiten.
Zag je toch ook soms een goede bedoeling
of vooral stuitend gebrek aan begrip, zoals toen van die arts
die vond dat je naar Gent moest want daar wisten ze ‘t beter.
Waarom wist die zelf niet gewoon wat er was.
Je krachten verbrokkelden, toch hield je je sterk:
‘Als de wereld niet thuis is, blijf ik ook thuis.’
Zag je ook hoe je nog best weleens glimlachte,
naar jezelf in de spiegel, als de pijn even stil lag te slapen
met een medische joint en hield je je goed
toen ineens die duizenden beelden begonnen, misschien
al licht en verlichting, liefde en rust kwamen brengen
vond je berusting in wat je geregeld verzuchtte
en op kleine briefjes beschreef “Zal weer maar zwijgen”.
Dit rustige zwijgen, dat de beelden vervagend wist,
en mag jij – bidden wij – door allerlei hier nu afwezigen
stilletjes toch worden gemist.

© MMXXVI  Door Willem de Geus, bij de uitvaart van P.F. (1962 – 2026) uit Kloosterzande, in opdracht van Stichting Eenzame Uitvaart Zeeland


December 2025

Dhr. D.P.H., geboren op Tholen en al sinds de jaren ’90 woonachtig onder aan de boulevard te Vlissingen, is op zaterdag 20 december dood aangetroffen in zijn appartement. Hij woonde er al die jaren alleen. D.P. bleek liefhebber van katten; er hingen verschillende afbeeldingen van katten aan de muur en hij had eigenlijk altijd wel een kat in huis. Hij werkte al vele jaren bij het Walcherse werkontwikkelbedrijf en had de gewoonte om dagelijks na zijn werk buitenshuis te eten. D.P. leefde erg op zichzelf en de contacten met familie of naasten waren minimaal.

Meneer D.P.H. (Tholen, 1968) overleed op 20 december 2025 in zijn woning te Vlissingen. De uitvaart vond plaats op 31 december 2025 in Uitvaartcentrum Monuta te Vlissingen.
Dichter van dienst: Aschwin van den Abeele

De stille kamer

en dan blijkt plots december 
stiekem in jouw herfst te liggen
onder aan de boulevard verstopt
waar op bruin gebladerde kasseien
een kat schichtig wegspringt
zoekend naar een veilige plek
waar het vooral moeilijk vinden is

ik stel me je voor na je werk
thuis, na je maal in de stad
lagen je handen dan ’s avonds op tafel
in de vorm zoals een kat zich krult
meer dan genoeg aan zichzelf
alsof niets soms beter is dan iets?

of dacht je, vol herkenning in het gebaar,
hoe je je kunt neerleggen in het moment
hoe je kunt verdwijnen in de stilte van een kamer
om alles verder los te laten
zoals een kat zich vleit
in het zachte niets
als alle dagen van december zijn geteld?

van afstand daar waar jij was
naar stilstand waar je bent gebleven


September 2025

Zeewaarts

van wind willen zijn
om soms landinwaarts
vaker over zee te verdwijnen

met een vleug van altijd de jouwe
jij en de ijle jaren van het delen

de geur van houden verwaaid
blaast uiteindelijk ook
zelf uiteen

van lucht de duinen niet meer ziet
van luwte geen voet meer kan verplaatsen

de wind willen zijn op plaatsen
waar de zee nooit komen kan

Aschwin van den Abeele, 
Voor W. G.